Vragen over steeds meer 'spookjongeren'

Spookjongeren: jongeren die uit beeld verdwijnen, onvindbaar worden en daardoor erg kwetsbaar zijn. Ze bestaan écht, maar niet op papier. Doordat ze nergens meer ingeschreven staan, lopen ze veel voorzieningen mis en worden ze onbereikbaar voor (hulp)instanties. Het aantal spookjongeren groeit de laatste jaren. Daarom stelt Marleen Schreuder vragen aan het college over de situatie in Leiden.

 

Schriftelijke vragen van Marleen Schreuder (GroenLinks) aan het College van B&W over onzichtbare jongeren.

 

Afgelopen vrijdag publiceerde de NOS het artikel ‘Duizenden Spookjongeren Onvindbaar voor de Overheid’ . Dit gaat om jongeren die volledig uit beeld van de overheid zijn verdwenen en daardoor vaak erg kwetsbaar zijn.

Normaal gesproken staan mensen ingeschreven bij een gemeente. Zodoende weet de overheid waar zij wonen en weten zij dus van hun bestaan in Nederland. Hierdoor krijg je een grote hoeveelheid basisvoorzieningen die belangrijk zijn om een normaal leven te leiden. Spookjongeren krijgen dat niet. Dit zijn jonge mensen tussen de 18 en 27 jaar waarvan de bij de Gemeente niet bekend is waar zij wonen, en of zij überhaupt nog in Nederland verblijven. Deze jongeren krijgen dan het stempel ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ (VOW).

Uit het artikel van de NOS blijkt dat het aantal jongeren dat in het systeem staat als VOW is gestegen. Jongeren met het label VOW zijn dus kwetsbaar omdat zij niet kunnen deelnemen aan de samenleving en belangrijke ondersteuning moeten missen, bijvoorbeeld omdat zij geen zorgverzekering kunnen krijgen. In 2015 heeft GroenLinks daarom al eerder vragen over de positie van deze spookjongeren gesteld. Het College antwoordde toen dat zij deze groep niet in beeld hebben. Destijds gaf de wethouder aan dat deze jongeren mogelijk in beeld gebracht konden worden op het moment dat zij een uitkering zouden aanvragen. Maar omdat het helemaal niet mogelijk is om een uitkering aan te vragen op het moment dat iemand het label VOW heeft, is het niet realistisch dat dit gebeurd. Extra inzet is dus vereist.

Daarnaast zouden veel jongeren een reden kunnen hebben om niet gevonden te willen worden, bijvoorbeeld door schulden of om de financiële positie van anderen te beschermen. In het artikel van de NOS wordt namelijk ook de vermaledijde kostendelersnorm als reden genoemd van ouders, of kinderen, om zich uit te schrijven. Omdat de vragen die GroenLinks over deze jongeren stelde aan de start van de decentralisaties, was er ook een deel van de lokale aanpak toen nog onbekend. Het College antwoordde daarom bijvoorbeeld dat de JGT’s en SWT’s druk bezig waren met afspraken maken met samenwerkingspartners. Nu we een aantal verder jaar zijn is het hoog tijd voor een versterke aanpak.

Op grond van artikel 45 van het Reglement van Orde en het bovenstaande stelt daarom het lid Schreuder (GroenLinks) het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiden de volgende vragen:

1. Kan het College een schatting geven van het aantal jonge Leidse VOW’ers, zogenaamde spookjongeren?

2. Is het College van mening dat zij deze jongeren nu beter in beeld hebben dan in 2015? Zo ja, waarom wel/niet?

3. Naar aanleiding van de aanpak van afgelopen jaren en bezien in het licht van de huidige realiteit; ziet het College aanleiding om de aanpak van ‘spookjongeren’ aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?

4. Op welke manier wordt deze problematiek zichtbaar gemaakt, of is deze zichtbaar binnen de ambtelijke organisatie?

5. Wordt er voorlichting gegeven over de regelgeving omtrent de gevolgen van een VOW? Zo ja, op welke manier en aan en door wie specifiek?

6. Is het College bekend met bepaalde succesvolle beleidstechnieken uit andere steden om een adres uitschrijving te voorkomen? In hoeverre worden deze ook in Leiden toegepast? Zo nee, in hoeverre zou het College hiervoor open staan?

 

Marleen Schreuder (GroenLinks)